Een schat aan informatie
6 oktober 2025
6 oktober 2025
De politieke elites vormen een veelbesproken, maar zelden scherp gedefinieerde groep. In de Nederlandse context is deze afbakening echter relatief eenvoudig: tot de politieke elites behoren zij van wie de biografie is opgenomen op de website van parlement.com. Deze omvat bewindspersonen, Kamerleden, staatsraden, leden van de Algemene Rekenkamer, commissarissen van de Koning, bestuurders van overzeese rijksdelen en secretarissen-generaal.
Al sinds de jaren zeventig worden systematisch gegevens verzameld over deze functionarissen. Denk hierbij aan persoonsgegevens, opleidingen, politieke en maatschappelijke functies. Het biografisch archief bevat thans alle personen die sinds 1796 tot op de dag van vandaag een rol spelen in het landelijk bestuur. De kracht van deze verzameling ligt in de gestandaardiseerde opzet en codering, die niet alleen historisch maar ook actueel wetenschappelijk onderzoek mogelijk maken.
Behalve biografieën zijn op parlement.com ook talloze gegevens over de politiek en het parlement opgenomen. Bijvoorbeeld: wat was de ‘Nacht van Schmelzer’, wat is eenheid van (kabinets)beleid of wat is een correctief referendum? Parlement.com maakt al deze informatie toegankelijk voor onderzoekers, journalisten en burgers. Het is ook een kennisbron voor studenten, leraren maatschappijleer, beleidsambtenaren en het meer dan gemiddeld geïnteresseerde publiek. De website werd bijvoorbeeld zeer intensief geraadpleegd vóór de verkiezingen van 2023, toen talloze nieuwkomers op verkiezingslijsten stonden, over wie men klaarblijkelijk meer te weten wilde komen.
Hoewel de site veel informatie biedt, is zij slechts het zichtbare deel van een veel omvangrijker geheel. De werkelijke waarde schuilt in het onderliggende biografisch archief: een database met circa 5.000 gevalideerde biografieën, het resultaat van meer dan een halve eeuw wetenschappelijk speurwerk waarvan door diverse onderzoekers reeds nuttig gebruik werd gemaakt. Denk bijvoorbeeld aan de dissertaties van Joop van den Berg (Tweede Kamerleden), Bert van den Braak (Eerste Kamerleden) en Ineke Secker (ministers). Dankzij de systematische aanpak en de technologische mogelijkheden van vandaag, biedt deze dataset ook ongekende kansen voor diepgaand inzicht in de politieke elite.
Wij mogen ons gelukkig prijzen, zeker. En er zijn ongekende kansen, absoluut. Maar dat is volstrekt geen reden tevreden achterover te leunen. Integendeel, het voor de toekomst behouden van het biografisch archief vereist continue inspanning en is in de digitale tijd misschien nog wel een grotere uitdaging dan toen we in zalige onwetendheid nog dachten dat we klaar waren zodra we een studiezaal en een archiefkast hadden ingericht.
Deze inspanning wordt al te makkelijk onderschat; het is verleidelijk te denken dat digitale opslag goedkoop is omdat je er geen archiefdepot voor nodig hebt. Maar dat is helaas alleen het geval wanneer je er geen probleem mee hebt data te stallen bij commerciële bedrijven die geld verdienen door ze te verkopen. In het geval van het biografisch archief is dat uiteraard geen optie. Gegevensbeheer kost geld en om goed vindbaar te zijn in de alsmaar uitdijende hoeveelheid digitale informatie zul je daar blijvend in moeten investeren. Het punt is dat het voor mensen die zijn opgegroeid in de analoge wereld, en dat zullen de meeste lezers van deze bundel zijn, niet zo duidelijk is hoeveel werk het biografisch archief moet verzetten om kennis duurzaam te ontsluiten en vindbaar te maken voor het publiek. Enig begrip van de basisprincipes onder digitaal zoeken en vinden zou eigenlijk in de gereedschapskist van iedere onderzoeker moeten zitten en zeker ook van degenen die kunnen bijdragen aan het behoud van de kostbare data uit het biografisch archief door te zorgen voor de noodzakelijke financiële voorwaarden. Dit slotartikel wil aan dit begrip bijdragen aan de hand van enkele concrete toepassingsmogelijkheden.
Een man zoekt informatie over een bekende persoon. Hij begint, zoals het hoort in deze tijd, online. Maar elke klik leidt naar een andere doodlopende digitale steeg: Error 404 – pagina niet gevonden. Hij probeert een andere route, een andere zoekterm, een andere browser. Tevergeefs. De informatie lijkt ooit te hebben bestaan, maar is nu opgelost in het niets – als een voetnoot zonder boek. Dan grijpt hij de telefoon. Een informatielijn. Een laatste redmiddel.
“Welkom bij het Informatieportaal. Toets 1 om terug te keren naar het hoofdmenu.”
Hij toetst 3. Dan 5. Dan 9.
“Toets 1 om terug te keren naar het hoofdmenu.”
Na een kwartier is hij niet dichter bij zijn antwoord, maar wel in een intieme relatie met de stem, die hij inmiddels Marja noemt. Marja blijft kalm. Marja wil maar één ding: terug naar het hoofdmenu.
Deze anekdote is vermakelijk, maar ook illustratief voor een fundamenteel probleem in de digitale infrastructuur: het ontbreken van duurzame, persistente identifiers. In een wereld waarin informatieverspreiding exponentieel groeit, is het niet voldoende dát data ergens staan – ze moeten ook vindbaar, identificeerbaar en herbruikbaar blijven. Zonder robuuste systemen voor persistente identificatie en semantisch verankerde koppelingen tussen databronnen, dreigt informatie te verdwijnen in een digitaal niemandsland van verbroken links, ontoegankelijke silo’s en keuzemenu’s zonder uitgang.
Digitalisering zonder duurzame ontsluiting is als een bibliotheek zonder catalogus: alles is er, maar niemand vindt iets.
In dit fictieve voorbeeld eindigde wat begon als een zoektocht naar een naam, in een labyrint van verbroken verwijzingen en onvindbare bronnen. Onder genealogen is dit al geruime tijd een bekend probleem waar gelukkig inmiddels goed werkende oplossingen voor zijn. Denk aan een platform als WieWasWie waarvoor het CBG de koppelingen met 247 miljoen persoonsvermeldingen van vijftig collectiebeherende instellingen onderhoudt. Dat de deelnemers van WieWasWie allemaal professionele organisaties met structurele financiering zijn helpt daarbij enorm. Zij werken met uniforme standaarden en houden hun collecties goed op orde. Dit zijn oplossingen die niet voor alle sectoren haalbaar zijn omdat er investeringen mee gemoeid zijn, je een lange adem nodig hebt en er nogal wat technische kennis bij komt kijken. Een alledaags voorbeeld: je wilt dat leuke vakantiehuisje van vorig jaar opnieuw boeken, maar elke link die je aanklikt eindigt in een foutcode 404. Wat ooit een betrouwbare verwijzing leek, blijkt nu een digitale luchtspiegeling. Het is het gevolg van een digitale infrastructuur die ooit met de beste bedoelingen is opgebouwd, maar vaak met houtje-touwtje-oplossingen aan elkaar is geknoopt. Een lichtvoetige illustratie van een serieus probleem: persistente identifiers zijn alleen écht persistent als er structureel beheer en onderhoud achter zit.
Iedereen kent de frustratie van het keuzemenu zonder uitgang, de zoekterm waarop foutcode 404 het enige antwoord lijkt, maar slechts weinigen weten wat hiervan de oorzaak is. Laat staan dat ze het kunnen oplossen. Dat komt doordat we met vallen en opstaan leren hoe we moeten omgaan met informatie in de digitale wereld. In de beginjaren van digitale archivering leefden data in silo’s. Elke database had zijn eigen logica, zijn eigen structuur, zijn eigen waarheid. Koppelingen tussen systemen waren zeldzaam, en als ze er al waren, dan waren ze kwetsbaar. Met de opkomst van het web en later het semantisch web ontstond de behoefte aan duurzame verbindingen: persistente identifiers (PIDs) die niet alleen verwijzen naar een locatie, maar naar de identiteit van een object – onafhankelijk van waar het zich bevindt, als uitgegooide ankers naar andere teksten en naar verwante bestanden die elders zijn opgeslagen.
Toch is het koppelen van data nog steeds vaak een kwestie van improvisatie. Zonder heldere afspraken over identificatie, versiebeheer en semantische interoperabiliteit, blijven datasets kwetsbaar voor vergetelheid. Een link die vandaag werkt, kan morgen verdwijnen. Een naam zonder context is betekenisloos. En een dataset zonder beheer is als een archief zonder sleutel.
Daarom is het cruciaal datasets niet alleen te publiceren, maar ook te beheren. Niet alleen te ontsluiten, maar ook te onderhouden. De kennis die in data besloten ligt, is geen bijproduct – het is een cultureel en intellectueel kapitaal dat gekoesterd moet worden. Want zonder duurzame koppelingen en zorgvuldige curatie, rest ons slechts de monotone stem van Marja: “Toets 1 om terug te keren naar het hoofdmenu.”
De biografieën van 5.000 personen die sinds 1796 tot op de dag van vandaag een rol spelen in het landelijk bestuur: een schat aan informatie, beschikbaar voor iedereen, in de woorden van Anne Bos; zo vanzelfsprekend als dat er water uit de kraan komt. Zie het als een Nutsvoorziening. Het PDC-archief is uitgegroeid tot een breed gedragen publieke voorziening die bijdraagt aan democratisch bewustzijn, historisch besef en politieke transparantie. Het wordt gebruikt door een breed scala aan beroepsgroepen én burgers, en fungeert als geheugen van de parlementaire democratie. De reacties van gebruikers uit diverse doelgroepen die in deze bundel zijn verzameld door Luuk Eilers en Hanna Nieuwenhuizen illustreren dat op treffende wijze.
Uit deze schatkamer put een expert als Joop van den Berg voor zijn diepgaande analyse van de ontwikkeling van de Nederlandse Tweede Kamer tussen 1848 en 2008, een periode waarin de Tweede Kamer evolueerde van een elitair gezelschap naar een professioneel corps. De professionalisering van parlementariërs blijkt onder meer uit hun opleiding en carrières voordat ze de Kamer betraden. Dat een voorname stamboom steeds minder het toegangsbewijs tot de politiek vormt kan worden aangetoond op basis van gegevens over ouders en grootouders. Joop van den Berg constateerde dit al voor de periode tot 2008, maar Simon Otjes laat zien dat de Tweede Kamer ook in het recentere verleden (en zelfs vandaag) geen afspiegeling is van de samenleving. Met de geografische herkomst valt het nog wel mee, maar praktisch opgeleiden zijn nauwelijks vertegenwoordigd. Otjes pleit voor meer diversiteit aan perspectieven in het parlement. Beide uiterst relevante analyses die gemaakt konden worden dankzij het biografisch archief. Ook Carla Hoetink kent de waarde van het biografisch archief maar zij wijst tegelijkertijd op een kwetsbaarheid. Het is voor een relatief kleine organisatie als het Montesquieu Instituut een zware opgave om het tempo bij te benen waarin de digitaliseringsslag zich momenteel bevindt. Gelukkig laat het het niet bij de constatering alleen maar draagt het ook een oplossingsrichting aan. Samenwerken met verwante organisaties maakt minder kwetsbaar en dat kan in allerlei vormen. Met deze aanbeveling kan ik van harte instemmen.
De tijd dat er ingewikkelde organisatorische ingrepen nodig waren om een robuust archiefbeheer te garanderen ligt achter ons. Het opgeven van autonomie is ook helemaal niet nodig om synergievoordelen te behalen. De toekomst is samenwerken! Standaardiseren, informatie uitwisselen en data verbinden met archieven van verwante organisaties, groot en klein, het kan allemaal. De infrastructuur ligt er al, het Montesquieu Instituut hoeft er alleen maar op aan te haken.
De data van het biografisch archief zijn met vooruitziende blik goed gestructureerd en dat is essentieel. De kracht van het biografisch archief ligt namelijk in de kwaliteit van de data; dat geldt voor de digitale wereld van vandaag maar zeker ook voor de (verre) toekomst. Goed gestructureerde gegevens kunnen op talloze manieren worden verbonden met andere datasets. Modern databeheer is mijlenver verwijderd van de houtje-touwtjeconstructies uit de vorige eeuw die een paar decennia later leidden tot de beruchte ‘foutcode 404’-meldingen. Vergelijk het met een doos legosteentjes: je kunt bestaande modellen nabouwen, maar ook geheel nieuwe constructies creëren. De datamanager speelt hierin een sleutelrol: door bestaande bouwstenen op nieuwe manieren te combineren, ontstaan onverwachte inzichten. Voor het biografisch archief geldt dat er een uitstekende basis ligt maar dat er nog hard gewerkt moet worden om de data zodanig te standaardiseren dat ze kunnen worden ingepast in de nationale informatie- infrastructuur die is ontwikkeld door het Netwerk Digitaal Erfgoed (NDE).
Het NDE is een samenwerkingsverband dat is ontstaan op initiatief van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW). Gezamenlijk hebben de deelnemers de zogeheten NDE-standaarden ontwikkeld: een set afspraken en technische modellen die het mogelijk maakt erfgoedinformatie op een gestandaardiseerde, duurzame en herbruikbare manier te ontsluiten, uit te wisselen en te koppelen. Ze zijn gebaseerd op principes van Linked Open Data en worden ondergebracht in de Digitaal Erfgoed Referentie Architectuur (DERA).
Een hoogwaardige dataset als het biografisch archief kan, in combinatie met open data uit andere domeinen, leiden tot een spectaculaire vermenigvuldiging van inzichten in politiek en bestuur. Hiervoor zijn twee voorwaarden essentieel: ten eerste de bereidheid tot samenwerking met zusterinstellingen vanuit het PDC – waarvan ik overtuigd ben dat die aanwezig is – en ten tweede het duurzame beheer van het archief, zoals dat al vijftig jaar voorbeeldig gebeurt door het PDC en nu wordt gecontinueerd door het Montesquieu Instituut. Zo maken wij onze politici onsterfelijk en zeg nou zelf, wie wil dat nou niet?